Portfoliotaal

Kenmerken van sterke formuleringen in portfoliotesten.

  1. De auteur laat iets zien van zijn handelen in de beroepspraktijk. “ik ......”
  2. De auteur laat zien dat hij inzicht heeft in de gevolgen van zijn handelen. Daarbij kunnen er positieve en negatieve gevolgen worden beschreven. “het gevolg was... ”; “daardoor ....”
  3. De auteur laat zien dat hij planmatig handelde. Hij laat zien dat hij een bepaalde aanpak verkoos, omdat bekend is dat daar gunstige effecten van te verwachten zijn. Hij gebruikt daarbij ook formele theorie. De voorbeelden schieten overigens nog tekort in verwijzingen naar literatuur. Mogelijke formuleringen zijn: “Van Ast et al (2024) zeggen daarover ....”; “Volgens Kohlberg .....”
  4. Als er geen sprake is van planmatig handelen, bijvoorbeeld omdat er iets onverwachts gebeurde waar de auteur op moest reageren, wordt de situatie achteraf geanalyseerd. Daarbij komt de auteur ook met een alternatief voor de volgende keer dat zoiets gebeurt. “Dit kan ik als volgt verklaren.... “; Een volgende keer zal ik.....”
  5. De auteur gebruikt het oordeel van collega’s of leerlingen om meer inzicht te krijgen in de kwaliteit van zijn handelen. “Volgens mijn leerlingen (zie bijlage x) ......”
  6. De auteur is heel precies en concreet in zijn analyse. Hij heeft het niet over ‘alles tegelijk’ , maar over één heel specifiek aspect van zijn professionele handelen. Hij gebruikt juist daarom de taal van het vak, de pedagogiek en de didactiek. “In videofragment Y ziet u hoe ik tijdens samenwerkend leren de individuele aanspreekbaarheid vergroot”

Navigatie

« Onderwijsleergesprek Toetsen en toetsmatrijs ontwerpen met behulp van een taxonomie »